Perverse prikkels in het procesrecht

11 okt 2016 Door: Aldert van der Bent

Mede onder invloed van de bankencrisis staat de werking van al dan niet perverse prikkels volop in de belangstelling. Zo bestaat er brede consensus dat het afgelopen moet zijn met de graaicultuur bij banken. Torenhoge bonussen zetten immers maar aan tot het vooropstellen van persoonlijke belangen van en door bankiers.

Aan deze maatschappelijke kritiek ligt de gedachte ten grondslag dat financiële prikkels het menselijk gedrag beïnvloeden. Om precies dezelfde reden klinkt aanhoudend de roep om hogere boetes, op te leggen door toezichthouders en rechters. En ook is een aparte wettelijke rente voor handels­transacties geïntroduceerd, die fors hoger ligt dan de gewone wettelijke rente. Het doel van de Richtlijn die daaraan ten grondslag ligt, is de bestrijding van betalingsachterstanden - door het geven van een financiële prikkel.

Het procesrecht in intellectuele eigendomszaken kent sinds 2006 zo’n financiële prikkel in de vorm van een volledige proceskostenveroordeling. Achtergrond daarvan wordt gevormd door Richtlijn 2004/48 betreffende de handhaving van intellectuele eigendomsrechten. Bij deze richtlijn is onder meer overwogen dat zonder doeltreffende middelen om intellectuele eigendomsrechten te handhaven, innovatie en creativiteit worden ontmoedigd en investeringen verminderd.

Nederland is volgens de Richtlijn verplicht om de maatregelen, procedures en rechtsmiddelen vast te stellen die nodig zijn om de handhaving van intellectuele eigendomsrechten te waarborgen. Deze maatregelen, procedures en rechtsmiddelen dienen eerlijk en billijk te zijn, mogen niet onnodig ingewikkeld of kostbaar zijn en mogen geen onredelijke termijnen of nodeloze vertragingen inhouden.

De maatregelen, procedures en rechtsmiddelen moeten tevens doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn; zij worden zodanig toegepast dat het scheppen van belemmeringen voor legitiem handelsverkeer wordt vermeden en dat wordt voorzien in waarborgen tegen misbruik van deze procedures. In dat kader vond de Europese wetgever het noodzakelijk dat de in het ongelijk gestelde partij in IE-zaken in de volledige proceskosten van de andere partij wordt veroordeeld.

Ook voor de verhuurder die investeert in een pand of de geldverstrekker die investeert in een bedrijf geldt dat zonder doeltreffende middelen om zijn rechten te handhaven, innovatie en creativiteit worden ontmoedigd en investeringen verminderd. Toch houden wetgever en rechtspraak buiten het ‘wilde westen’ dat het IE-recht binnen het civiele (proces)recht is, onverminderd vast aan proceskostenveroordelingen op basis van forfaitaire bedragen. Terwijl de wetgever onderkent dat de volledige proceskostenveroordeling een prikkel vormt om de rechten van anderen te respecteren, handhaaft de rechter in het ‘mainstream’ civiele procesrecht het beleid om die prikkel slechts in uitzonderingsgevallen te geven. De wanbetaler en de schadeveroorzaker worden aldus beloond voor het feit dat zij hun hand op de knip houden. Een situatie die bovendien, dankzij de vele verwikkelingen die in het procesrecht mogelijk zijn, de werklast van veel rechters en de aanhoudende bezuinigingen op justitie, lang kan worden volgehouden.

Van de torenhoge bankiersbonus heeft vooral de bank zelf last. Maar het onnodig moeten procederen kost zowel de individuele procespartij als de maatschappij in het algemeen veel geld. Het wordt dus hoog tijd dat de rechtspraak deze perverse prikkel in het civiele procesrecht aanpakt. Ook de werklast van de rechterlijke macht zal dat enorm ten goede komen. Tot die tijd kan een goede arbitrageclausule helpen om de noodzakelijke besteding van tijd en geld aan juridische procedures te beteugelen.