Internationale verhuizing en zorgregeling. Ook mogelijk wanneer de communicatie tussen ouders slecht is.

07 aug 2017 Door: Shiri Scheimann

Een maand geleden werd ik verrast met een telefoontje van een oud cliënte die inmiddels niet meer in Nederland woont.  Zij had vervangende toestemming van het hof Den Haag gekregen om met haar twee jonge kinderen naar Israël te verhuizen ondanks de zeer slechte communicatie met haar ex-partner. Zij belde vanuit Nederland. Ik was blij verrast van haar te horen. Ze bleek in Nederland te zijn in het kader van de omgangsregeling. Ze kwam de beschikking van het hof na met betrekking tot de internationale zorgregeling.

Een bewijs dat een internationale omgangsregeling wel kan werken. Zelfs in geval van een hele slechte relatie tussen de ouders. Ik had haar goed ingeschat. Het hof ook. Deze moeder is zelf ervan overtuigd dat kinderen recht hebben om een band met hun vader te hebben. Die overtuiging zette zij om in daden. Ondanks alle vervelende voorvallen, zorgde deze moeder ervoor dat de omgang door zou gaan, ook toen zij in Nederland als alleenstaande moeder woonde en ook nadat zij toestemming had gekregen om naar haar geboorteland te verhuizen met de kinderen. Ik ken genoeg ouders die om veel minder de omgang zouden hebben stopgezet.

Wat was er gebeurd? Moeder is Israëlische, vader Nederlander. Het was een vakantieliefde. Zij trouwden snel en moeder kwam in Nederland wonen. Moeder kon niet zo goed aarden in Nederland. Al snel bleek zij zwanger te zijn. Even zo snel bleken zij totaal niet met elkaar overweg te kunnen. Desalniettemin kwam een tweede kind. Een scheiding volgde. Vader had al snel een nieuwe vriendin en trok bij haar in. Moeder had geen inkomen en geen familie in Nederland. Kinderalimentatie werd opgelegd, maar vader kwam zijn betalingsverplichtingen niet na. Moeder had heel erg heimwee naar haar familie en wilde niet van de Nederlandse staat afhankelijk zijn voor inkomen. Zij was hoogopgeleid en zou in Israël makkelijk aan werk kunnen komen. Daarnaast kon zij in Israël op de steun van haar familie rekenen.

Het was een zeer heftige scheiding. Vader belde telkens als er iets niet goed ging Jeugdbescherming op. Toen moeder een keer ziek werd en vader berichtte dat zij de kinderen niet kon komen halen, belde vader Jeugdbescherming op om de kinderen op te halen en in een pleeggezin te plaatsen. Dat is ook gebeurd (!) en een geschokte moeder haalde de kinderen de volgende dag op bij het pleeggezin. Een ondertoezichtstelling werd als gevolg hiervan uitgesproken. Ouders moesten meedoen aan Ouderschap Blijft, een programma om ouders te leren om beter met elkaar te communiceren. Buiten dit programma om (maar ook tijdens het programma) was sprake van nare verwensingen aan de zijde van vader richting moeder. Hij dreigde haar zelfs om het leven te brengen of permanent rolstoelgebonden te maken. Voor moeder zeer intimiderend. Vader schroomde niet zijn dreigementen in het bijzijn van Jeugdbescherming te uiten. Het was duidelijk dat de communicatie niet goed was en ook niet goed zou worden. De vele programma’s die partijen volgden werden niet afgemaakt of niet nagekomen, met name door weigering van vader. Voor alles waarvoor moeder toestemming nodig had (paspoort vernieuwen, vakantie, psychologische begeleiding van de kinderen etc.) weigerde vader toestemming te verlenen. Vader hield de slechte communicatie in stand en werkte niet aan verbetering daarvan. Zijn standpunt was: slechte communicatie, dus geen toestemming om te verhuizen naar het buitenland. Hij had dat waarschijnlijk van zijn advocaat gehoord en dat ligt ook in de lijn van de vaste jurisprudentie.

Moeder was eenzaam en begon depressief te worden. Haar heimwee naar familie en haar vaderland groeide. De rechtbank (mede op advies van de Raad voor de Kinderbescherming) maakte korte metten met het verzoek van moeder om met vervangende toestemming te verhuizen. Een standaard oordeel en in de lijn van vaste jurisprudentie. Door onvoldoende noodzaak en de slechte communicatie was niet te verwachten dat de omgang nadien werkelijk plaats zou vinden. Jeugdbescherming durfde geen standpunt in te nemen. Ouderschap Blijft gaf wel een getrouw beeld van de gang van zaken tijdens de gesprekken, maar daar deed de rechtbank niets mee.

In hoger beroep kwam het hof tot een ander oordeel. Het hof concludeerde dat er geen verbetering in de communicatie was opgetreden en dat dat mede te wijten was aan de weigeringen van vader. Het hof hield rekening met de moeilijke emotionele en financiële positie van moeder in Nederland en overwoog dat de kinderen gebaat zouden zijn bij een situatie waarin hun moeder gelukkig is (impliciet werd hiermee de noodzaak om te verhuizen vastgesteld). Voorts stelde het hof dat moeder - ondanks de slechte communicatie - genoegzaam had aangetoond dat zij de omgang altijd had nageleefd en tevens gestimuleerd had, zodat het hof ervan uitging dat moeder zich ook na de verhuizing zou blijven inzetten voor de omgang. Zowel de Raad als Jeugdbescherming wilde in hoger beroep geen duidelijk standpunt innemen. Moeder kreeg vervangende toestemming van het hof.

Een mooie uitspraak waarbij bleek dat het hof het uiteindelijk - en niet alleen op papier - bij het rechte eind had. Zo blijkt maar weer dat iedere casus op zijn eigen merites beoordeeld moet worden en dat er geen 'standaard' zaken zijn.