Bestuurdersaansprakelijkheid voor ten onrechte berekende bemiddelingskosten

26 apr 2018 Door: Aldert van der Bent

Sinds 16 oktober 2015 is algemeen bekend dat bemiddeling in woonruimte uitsluitend is toegestaan als de makelaar of bemiddelaar niet tegelijkertijd optreedt voor de verkoper of verhuurder van dezelfde woonruimte. Van ‘optreden voor de verkoper/verhuurder’ is ook sprake als een bemiddelingsbureau met een verhuurder afspreekt dat de verhuurder vrijblijvend en kosteloos woningen mag plaatsen op de website van het bemiddelingsbureau, zo oordeelde de Hoge Raad[1].

Deze uitspraak leidde tot een hausse aan zaken bij de kantonrechter van consumenten die de door hen betaalde courtage terugvorderden van de bemiddelaar. Zo ook bij de kantonrechter in Rotterdam, waar consumenten bemiddelingsvergoedingen hadden betaald aan MVM Wonen B.V., dit terwijl MVM Wonen ook aan de verhuurder bemiddelingskosten in rekening had gebracht. Tegen de tijd dat de kantonrechter besliste dat aan een consument de door hem betaalde vergoeding van € 1.452,- diende te worden terugbetaald, was MVM Wonen echter opgehouden te bestaan.

De consument liet het er niet bij zitten en stelde de beide bestuurders van MVM Wonen aansprakelijk voor het uitblijven van terugbetaling. De bestuurders verweerden zich tegen de vordering van de huurder met de stelling dat hen persoonlijk geen ernstig verwijt trof, omdat de betaling had plaatsgevonden in 2014 en zij toen niet konden weten dat de Hoge Raad in 2016 een streep door deze praktijk zou halen.

De kantonrechter passeert echter dit verweer van de bestuurders en wijst erop dat het tweemaal berekenen van bemiddelingskosten niet door de Hoge Raad in 2016 verboden is, maar door de wetgever in 1993 met de invoering van de artikelen 7:417 lid 4 en 4:427 BW. MVM Wonen handelde dus welbewust in strijd met dwingende wetsbepalingen. Door dit feit is sprake van een bijzondere omstandigheid die een ernstig verwijt oplevert aan de zijde van de beide bestuurders. Bij het aangaan van de bemiddelingsovereenkomsten behoorden de bestuurders te weten dat zij dubbele bemiddelingskosten in rekening brachten, hoewel dat wettelijk niet was toegestaan. Zij behoorden daarom ook te weten dat het bedrag terugbetaald zou moeten worden. Door daar geen rekening mee te houden hebben zij onrechtmatig gehandeld jegens de consument[2].

De conclusie luidt dus dat uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid verhaal mogelijk is op het privévermogen van een bestuurder, als een vennootschap die in strijd met de wet bedragen in rekening brengt, vervolgens niet in staat is die bedragen terug te betalen.



[1] Hoge Raad 16 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3099
[2] Rechtbank Rotterdam 22 december 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:10144