Vergoeding van volledige proceskosten alleen bij hoge uitzondering

Advocaten_Wybenga_Patrick-Slob.png

Procederen is niet zelden een kostbare aangelegenheid: griffierechten, deurwaarderskosten en - niet in de laatste plaats - het salaris van de advocaat. De partij die volledig ongelijk krijgt van de rechter, moet in beginsel de proceskosten van zijn wederpartij betalen. Maar deze proceskostenveroordeling is doorgaans ontoereikend om de ‘winnende’ partij volledig te compenseren. Dat wordt dikwijls als oneerlijk ervaren, maar er bestaat een belangrijke rechtvaardiging voor dit systeem.

Liquidatietarief
In Nederland berekenen we het salaris van de advocaat aan de hand van een liquidatietarief.[1] Het bedrag is afhankelijk van de verrichte werkzaamheden en het belang van de zaak. Zodoende kan het te liquideren salaris bij de rechtbank per zaak variëren van een kleine €1.000 (in eenvoudige zaken) tot boven €50.000 (in langlopende en zeer complexe zaken).

Vanwege de toepassing van het liquidatietarief bestaat een begrenzing van de verplichting van de ‘verliezende’ partij om de proceskosten van de ander te vergoeden. De ratio van deze regeling is dat de wetgever wil voorkomen dat rechtzoekenden worden afgeschrikt door de vrees voor een veroordeling tot omvangrijke proceskosten. Partijen hebben immers de (bijna onbegrensde) vrijheid op toegang tot de rechter. Het risico van hoge proceskosten brengt deze vrijheid in gevaar, zo is de gedachte, en dat heeft tot ongewenst effect dat de kans op eigenrichting toeneemt.

Uitzonderingen
Gelukkig kan de rechter in “buitengewone omstandigheden” een partij in afwijking van het liquidatietarief veroordelen tot vergoeding van de volledige proceskosten. Dat gebeurt zelden, omdat voldaan moet zijn aan de strikte maatstaf van misbruik van procesrecht of onrechtmatige daad. Daarvan is bijvoorbeeld sprake bij het aanspannen van een bij voorbaat kansloze of evident ongegronde procedure (Duka/Achmea[2]).

Een treffend voorbeeld deed zich voor in een zaak waarin de Hoge Raad in september 2017 arrest wees.[3] In deze zaak sluiten eigenaren van twee percelen “warme” grond mondeling een koopovereenkomst met een bv. Dit doen ze op advies van een door hen ingeschakelde makelaar. Zowel de betrokken makelaar als de kopende bv verzwijgen echter dat de makelaar een persoonlijk financieel belang in de bv heeft en achter de schermen aan de touwtjes trekt. Deze oneigenlijke verstrengeling van belangen weerhield de bv er niet van in rechte nakoming van de koopovereenkomst af te dwingen, toen de eigenaren aan de levering weigerden mee te werken. Het Amsterdamse hof strafte de weinig fraaie actie van de bv af en oordeelde (met recht!) dat de koop onder invloed van bedrog door de bv tot stand was gebracht.

Daarmee was het verhaal nog niet uit. De grondeigenaren bleven achter met een aanzienlijke schadepost van ca. € 400.000 aan advocaatkosten, omdat zij zich in de procedure tegen de bv moesten verdedigen. In een nieuwe procedure vorderen de grondeigenaren van de bv én van de makelaar vergoeding van deze kosten. Gelukkig voor de grondeigenaren wijst het Hof Den Haag de vorderingen toe.

De bv verweerde zich nog met de stelling dat het Hof Amsterdam in de eerste procedure al onherroepelijk over de proceskosten had beslist (op basis van het liquidatietarief). Dat verweer faalt, om de begrijpelijke reden dat de grondeigenaren zich in die eerste procedure alleen maar hebben verweerd tegen de nakomingsvordering van de bv. Het hof heeft geen beslissing genomen over een vordering tot volledige proceskostenvergoeding. Over die vordering oordeelt het Hof Den Haag (kort gezegd en toetsend aan Duka/Achmea) dat de bv misbruik heeft gemaakt van recht door nakoming van de koopovereenkomst in rechte af te dwingen, terwijl zij vanwege het bedrog daarvan had moeten afzien. De bv moet daarom de volledige € 400.000 betalen.

Het hof hanteert jegens de makelaar dezelfde toets aan de strikte maatstaf uit het arrest Duka/Achmea. Ten onrechte volgens de Hoge Raad, omdat de makelaar géén partij was in de procedure tussen de grondeigenaren en de bv. Voor de makelaar gelden dus de ‘gewone’ regels van aansprakelijkheid en schadevergoeding. Dat maakt ‘onder de streep’ overigens niet uit, omdat het onrechtmatig is om als makelaar te zwijgen over een financieel belang in een kopende partij, ondanks die wetenschap een koop tot stand te brengen en als klap op de vuurpijl de bv ertoe te bewegen in rechte nakoming af te dwingen. Ook de makelaar is daarom gehouden de advocaatkosten te vergoeden. Eind goed, al goed.

Deze zaak vormt een uitzondering op het uitgangspunt dat het salaris van de advocaat berekend wordt volgens een liquidatietarief. Het toont aan dat er veel nodig is alvorens de rechter daartoe overgaat.

[1] De verschotten, zoals deurwaarderskosten, griffierechten, onkostenvergoedingen voor getuigen en het salaris van deskundigen, komen wél volledig voor vergoeding in aanmerking.
[2] HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828 (Duka/Achmea).
[3] HR 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2366.