Geen risico-aansprakelijkheid bij ingeschreven voorrechten

Advocaten_Wybenga_Patrick-Slob.png

Voorrechten achteraf onterecht ingeschreven: aansprakelijkheid of niet?

 Wie conservatoir beslag legt voor een vordering die achteraf ongegrond blijkt te zijn, is aansprakelijk voor de gevolgen van het beslag – ook als de vordering verdedigbaar was en de beslaglegger voorzichtig te werk is gegaan. Een beslaglegger handelt simpelweg op eigen risico. Maar geldt dat ook voor de registratie van bevoorrechte vorderingen in het scheepsregister? Nee, zegt de Rotterdamse Rechtbank in een principieel vonnis van 20 februari 2019 (ECLI:NL:RBROT:2019:1448).

Casus

Sterk vereenvoudigd weergegeven waren de feiten in de zaak als volgt. In 2012 dreigde een groep zeevarenden werkloos te worden als gevolg van de beslissing van diverse rederijen om de schepen waarop de zeevarenden werkzaam waren ‘uit te vlaggen’ (ofwel: over te dragen aan niet-Nederlandse eigenaren door uitschrijving van het schip uit het Nederlandse scheepsregister en inschrijving in een niet-Nederlands scheepsregister).

De rederijen stelden zich op het standpunt generlei verantwoordelijkheid als zee-werkgever dan wel anderszins jegens de zeevarenden te hebben. Omdat de zeevarenden zich ernstig zorgen maakten over hun positie, hebben zij besloten hun rechten jegens de rederijen veilig te stellen door inschrijving van hun voorrechten in het scheepsregister. Dit middel staat specifiek ter beschikking aan zeevarenden met een voorrecht als bedoeld in artikel 8:211 BW (zie artikel 8:215 lid 2 BW).

Voorrechten zijn bijzondere rechten, omdat ze een hoge rang opleveren wanneer de opbrengst van een goed tussen twee of meer schuldeisers moet worden verdeeld. Artikel 8:211 sub b BW is een voorbeeld van zo’n voorrecht. Het bepaalt dat vorderingen uit de zee-arbeidsovereenkomst, zoals wegens achterstallig loon, rangschikken boven nagenoeg alle andere vorderingen.

Korte tijd na de registratie van de voorrechten, hebben de zeevarenden in overleg met de rederijen de inschrijvingen weer doorgehaald. Daartegenover hebben de rederijen een bedrag in depot gestort. Volgens afspraak zouden de zeevarenden hun vorderingen uit het depot betaald krijgen, indien in rechte zou worden vastgesteld dat tussen de zeevarenden en de rederijen zee-arbeidsovereenkomsten zouden hebben bestaan.

Tussen partijen zijn vervolgens diverse procedures gevoerd. Het bestaan van zee-arbeidsovereenkomsten kwam in die procedures niet vast te staan. Inmiddels was duidelijk geworden dat de dreiging van werkloosheid zich niet had verwezenlijkt. Die ontwikkeling was ten tijde van de inschrijving van de voorrechten niet te voorzien.

De rederijen stellen als gevolg van de (achteraf onterecht gebleken) inschrijving schade te hebben geleden. Zij proberen die schade via een procedure op de zeevarenden te verhalen.

Wel of geen risico-aansprakelijkheid?

De scheepseigenaren trekken in de procedure een parallel met conservatoir beslag en betogen dat ook registratie van bevoorrechte vorderingen een bewarende maatregel is die verkoop en levering frustreert. Daarom zou net als bij een onrechtmatig gelegd beslag risico-aansprakelijkheid gerechtvaardigd zijn.

De rechtbank legt het conservatoire beslag en het maritieme voorrecht naast elkaar en komt op basis van een vergelijking tot de conclusie dat er meer verschillen dan overeenkomsten zijn. Risico-aansprakelijkheid is daarom niet op zijn plaats.

Beide rechtsfiguren beogen verhaalsmogelijkheden veilig te stellen. Maar anders dan een gewone beslaglegger verkeert een zeevarende in een bijzondere beschermingswaardige positie. Diens vordering uit een zee-arbeidsovereenkomst is op grond van artikel 8:211 BW zeer hoog gerangschikt, zelfs boven hypotheek. De vordering heeft bovendien zaaksgevolg. Hierdoor kan de zeevarende zich op het schip verhalen, ook als het schip na het ontstaan van de vordering is verkocht en geleverd. De positie van een ‘gewone’ beslaglegger is wezenlijk anders.

Dat een eenmaal geregistreerd voorrecht in de weg zou staan aan verkoop en levering van het betreffende schip is volgens de rechtbank onjuist. Voor levering kan weliswaar noodzakelijk zijn dat inschrijving van het schip in het Nederlandse scheepsregister wordt doorgehaald, maar de eigenaren hadden voor die doorhaling medewerking van de zeevarenden kunnen vragen. Dat is feitelijk ook gebeurd, doordat een depot is gesteld en de voorrechten nadien zijn uitgeschreven. Van een absoluut beletsel tot levering is dus geen sprake. Belangrijker nog is dat het voorrecht nu eenmaal zaaksgevolg heeft en van rechtswege op een schip rust. Ook zonder registratie zouden de zeevarenden zich dus op het schip hebben kunnen verhalen.

Al met al oordeelt de rechtbank dat een achteraf onterechte inschrijving geen risico-aansprakelijkheid oplevert. Een ander oordeel zou volgens de rechtbank ertoe kunnen leiden dat zeevarenden afzien van het gebruik van hun rechten en zo’n chilling effect moet worden voorkomen.

Afdwingen zekerheid onrechtmatig?

Daarmee is de zaak nog niet helemaal afgedaan voor de zeevarenden. Een onterechte inschrijving kán nog steeds onrechtmatig zijn, waardoor de inschrijver verplicht is tot vergoeding van schade. Een inschrijving is onrechtmatig als zou blijken dat de zeevarenden hun recht van inschrijving zouden hebben misbruikt. Dat was volgens de rechtbank niet het geval: de zeevarenden konden redelijkerwijs menen dat zij een vordering hadden en dat de inschrijving niet onevenredig belastend zou zijn, terwijl de zeevarenden de inschrijving vrij snel hebben doorgehaald.

De rechtbank overweegt verder dat het afdwingen van zekerheid, zoals in dit geval in de vorm van een gelddepot, in het algemeen niet onrechtmatig is. Dat de zeevarenden het depot niet eerder hebben vrijgegeven dan na afloop van de procedures, is volgens de rechtbank evenmin onrechtmatig. De zeevarenden hebben gewoon uitvoering gegeven aan de afspraken die zij met de rederijen hadden gemaakt over doel en strekking van het depot.

Conclusie

Anders dan bij conservatoir beslag rust op degene die voorrechten inschrijft in het scheepsregister geen risico-aansprakelijkheid. Het is de eerste principiële rechterlijke uitspraak over aard en strekking van de inschrijving van scheepsvoorrechten. De rederijen hebben inmiddels hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de Rechtbank Rotterdam.