Zoek binnen Wybenga advocaten

03 dec 2025

Van eindeloos naar eindig: het vervolg

Afgelopen voorjaar wees de Hoge Raad een arrest over het aanvangsmoment van de verjaringstermijn van premievorderingen van bedrijfstakpensioenfondsen op werkgevers. De Hoge Raad stelde vast dat de verjaringstermijn niet aanvangt op het moment dat de premienota is verstuurd, maar op het wettelijk vastgestelde uiterste tijdstip van betaling van de premie. Dit betekent dat premievorderingen eerder kunnen verjaren dan voorheen werd aangenomen. De uitspraak heeft dan ook veel stof doen opwaaien bij pensioenfondsen.

In een eerder blog zijn wij dieper ingegaan op de strekking en gevolgen van deze uitspraak. Wij voorspelden dat het aantal schadevergoedingsvorderingen zou toenemen. Wanneer een werkgever zich ten onrechte niet heeft aangemeld bij een bedrijfstakpensioenfonds, kan dit namelijk onrechtmatig zijn. De verjaringstermijn voor een vordering uit onrechtmatige daad vangt pas aan op het moment dat het pensioenfonds bekend is met de schade (de onbetaalde pensioenpremies) en de schadeveroorzakende partij (de werkgever).

Deze verwachting lijkt vooralsnog terecht. De kantonrechter van de rechtbank Den Haag heeft op 20 november 2025 beslist dat een vordering van een bedrijfstakpensioenfonds tot betaling van de achterstallige pensioenpremies niet verjaard is, omdat de vordering is gebaseerd op een onrechtmatige daad. De uitspraak van de Hoge Raad maakt dit niet anders, aldus de kantonrechter. In dit blog bespreek ik deze uitspraak en benoem ik welke lessen bedrijfstakpensioenfondsen en werkgevers hieruit kunnen trekken.

De uitspraak van de kantonrechter

De werkgever is een groothandel in hooi, stro en ruwvoer, en vervoert dit tegen een vergoeding. Negen van de elf personeelsleden werken als chauffeur. Deelneming in het Pensioenfonds Vervoer is wettelijk verplicht voor werknemers die werkzaam zijn in de sector vervoer over de weg.

Op grond van artikel 4 Wet Bpf 2000 is een werkgever die verplicht is aangesloten bij een pensioenfonds gehouden het uitvoeringsreglement van dat pensioenfonds na te leven. In het uitvoeringsreglement van Pensioenfonds Vervoer is onder andere bepaald dat een werkgever die onder de verplichtstelling valt, zijn werknemers als deelnemer moet aanmelden bij het Pensioenfonds en pensioenpremie aan het Pensioenfonds Vervoer moet afdragen. Wordt niet tijdig betaald, dan is op grond van het uitvoeringsreglement wettelijke handelsrente verschuldigd over de pensioenpremie.

Op 3 januari 2023 deelt het Pensioenfonds Vervoer aan de werkgever mee dat de werkgever per 25 april 2017 bij het Pensioenfonds is aangesloten. Hier is de werkgever het niet mee eens. De werkgever vordert daarom dat de rechter voor recht verklaart dat de werkgever niet valt onder de verplichtstelling van het Pensioenfonds Vervoer. In reconventie vordert het Pensioenfonds (onder andere) betaling van de achterstallige pensioenpremies. De werkgever doet een beroep op de uitspraak van de Hoge Raad, en stelt dat de premievordering van het Pensioenfonds gedeeltelijk verjaard is.

De kantonrechter oordeelt dat de werkgever inderdaad onder de werkingssfeer van het Pensioenfonds valt. Het beroep van de werkgever op verjaring wordt afgewezen. Het Pensioenfonds heeft haar premievorderingen namelijk gebaseerd op een onrechtmatige daad wegens schending van de wettelijke verplichting het uitvoeringsreglement na te leven. Het Pensioenfonds vordert niet betaling van de verschuldigde premies, maar vergoeding van de door haar geleden schade tot het bedrag aan onbetaald gelaten premies. Niet het verjaringsregime van artikel 3:308 BW, maar het verjaringsregime van artikel 3:310 BW is op een schadevergoedingsvordering van toepassing, aldus de kantonrechter. Pas vijf jaar nadat het pensioenfonds bekend is geraakt met zowel de schade als de aansprakelijke persoon, vangt deze verjaringstermijn aan. De rechter beslist dat de werkgever alle onbetaalde pensioenpremies ter hoogte van € 761.393,09 dient te betalen aan het Pensioenfonds.

Toch worden niet alle vorderingen van het Pensioenfonds toegewezen. Op grond van het uitvoeringsreglement was wettelijke handelsrente verschuldigd over te laat betaalde pensioenpremies en ook dit was volgens het Pensioenfonds aan te merken als schade. Het Pensioenfonds vorderde dat de werkgever werd veroordeeld tot betaling van een naar het percentage van de wettelijke handelsrente berekende rente over het bedrag aan verschuldigde premie voor iedere maand waarin premie had moeten worden betaald, berekend vanaf twee weken na het einde van elke maand. Het Pensioenfonds had echter niet duidelijk gemaakt (i) wat de hoogte was van de afzonderlijke maandelijkse premiebedragen en (ii) de data waarop deze bedragen, respectievelijk het totaal ervan hadden moeten worden betaald (en dus vanaf wanneer wettelijke handelsrente verschuldigd was). Volgens de rechter was het daarom niet mogelijk om de gevorderde wettelijke handelsrente toe te wijzen. Gezien de omvang van het bedrag (€ 761.393,09) en de datum van verplichte aansluiting (2017), betrof dit een aanzienlijke vordering.

De les voor bedrijfstakpensioenfondsen

In bovengenoemde zaak heeft de werkgever onrechtmatig gehandeld jegens het Pensioenfonds, doordat de werkgever niet de verplichtingen uit het uitvoeringsreglement was nagekomen. De schade van het Pensioenfonds werd berekend door een vergelijking te maken tussen de ontstane situatie, en de situatie waarin de werkgever deze verplichtingen wel was nagekomen. Hieruit volgt dat de inhoud en strekking van het uitvoeringsreglement ook van groot belang zijn in de situatie dat een werkgever zich ten onrechte niet heeft aangemeld bij het pensioenfonds. Zowel de aansprakelijkheid als (de omvang van) de schade worden vastgesteld aan de hand van hetgeen in het uitvoeringsreglement staat; het kan verschil maken tussen het wel en niet bestaan van een schadevergoedingsvordering. Het is daarom raadzaam om met enige regelmaat het uitvoeringsreglement kritisch te evalueren en zo nodig aan te passen.

Daarnaast is het belangrijk om scherp te hebben wat de grondslag is van de vordering op de werkgever. Gaat het om een oudere vordering, dan is het mogelijk een schadevergoedingsvordering. Dit maakt niet alleen uit voor de toepasselijke verjaringstermijn, maar ook voor de vraag op welke wijze de vordering moet worden onderbouwd. Wanneer sprake is van een schadevergoedingsvordering, dan is het aan het pensioenfonds om te stellen en onderbouwen dat er schade is én wat de omvang is van deze schade. In deze procedure heeft het Pensioenfonds onvoldoende inzichtelijk gemaakt over welk bedrag en vanaf welk moment de wettelijke handelsrente verschuldigd zou zijn geweest, waardoor deze vordering als onvoldoende onderbouwd is afgewezen. Dat is zonde, want de wettelijke handelsrente kan oplopen tot een hoog bedrag.

De les voor werkgevers

Hoewel de Hoge Raad heeft bepaald dat premievorderingen eerder verjaren dan voorheen werd gedacht, is dit geen reden om achterover te leunen. Dit kan u namelijk duur komen te staan – ook jaren later. Begint u een onderneming, hebt u een onderneming en verandert het zwaartepunt van de activiteiten die u ontplooit, of bent u al een tijd bezig en twijfelt u of voor u een aansluitingsplicht bij een bedrijfstakpensioenfonds geldt, dan is het raadzaam om dit proactief te (laten) onderzoeken. Zo voorkomt u dat u voor vervelende verrassingen komt te staan.

Gerelateerde Wyblogs
X

Aanmelden voor de Wybenga nieuwsbrief