Afdeling zet opnieuw streep door boete aan scheepswerf

Advocaten_Wybenga_Kirsten-Boele.png

Begin 2017 hakte de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de knoop door over een fikse boete opgelegd aan de scheepswerf Damen Shiprepair voor de tewerkstelling van Roemenen. De Inspectie SZW had de boete ten onrechte opgelegd. Een aantal maanden later doet de Afdeling het weer. De Inspectie SZW had boetes opgelegd van € 768.000 aan Scheepswerf Den Breejen en de Roemeense opdrachtnemer. De Afdeling zet wederom een streep door beide boetes.

Bij Den Breejen waren op de scheepswerf 66 Roemenen betrokken bij de bouw van twee zeeschepen.[1] Zij waren in dienst van een Roemeens bedrijf. Er waren geen tewerkstellingsvergunningen (twv's). Volgens de Inspectie SZW waren twv's wel nodig, maar volgens de scheepswerf en de opdrachtnemer niet.

Vanaf 1 januari 2014 mogen Roemenen vrij arbeid verrichten binnen de Europese Unie, dus ook in Nederland. Een twv is niet vereist. Maar in 2013, de periode waarop deze boete betrekking had, was dit anders. Voor Roemenië gold toen nog een status aparte. Een twv was in beginsel wèl vereist.

Toch zijn de uitspraken voor de praktijk relevant. De Afdeling oordeelt over twee belangrijke zaken. Ten eerste komt aan de orde hoe het zit met bewijs in dit soort zaken. Ten tweede wordt nogmaals duidelijk wanneer sprake is van terbeschikking­stelling van arbeidskrachten (twv is wel vereist) en wanneer niet (twv is niet vereist).

Qua bewijsaspecten volgt uit de uitspraken dat de Inspectie SZW relatief veel ruimte heeft. Als toezichthouders op de werf buitenlandse werknemers horen dan is gebruik van een beëdigd tolk bijvoorbeeld niet verplicht. Er moet uiteraard wel een vertaler aanwezig zijn. Ook ondertekening van de verklaring door de werknemer is niet verplicht, maar daarmee wordt wel discussie over de juistheid van de verklaring voorkomen.

In dit geval waren vertalers aanwezig geweest bij de verhoren en hadden de werknemers (op één na) de verklaringen ondertekend. Het is dan heel moeilijk om die verklaringen te weerleggen. Zelfs verklaringen die daarna zijn afgelegd door de werknemers bij een notaris leggen niet per se gewicht in de schaal volgens de Afdeling.

Toch wonnen de scheepswerf en opdrachtnemer. De Afdeling oordeelde namelijk dat alhoewel leiding en toezicht over de Roemenen bij de inlener lag, geen sprake was van terbeschikkingstelling van arbeidskrachten. Dit was niet het doel op zich van het 'werk' dat de scheepswerf en opdrachtnemer waren overeengekomen. Dan is geen twv vereist en is er dus geen sprake van illegale tewerkstelling.

Een belangrijk aanknopingspunt was de aanneemovereenkomst. Daaruit bleek dat het risico van productiefouten bij de opdrachtnemer lag en dat een vaste aanneemsom in de vorm van een prijs per ton/kilogram was overeengekomen.

Het was wel kantje boord. Er waren volgens de Afdeling ook aanknopingspunten die wel op terbeschikkingstelling van arbeidskrachten wezen. Omdat de bewijslast op de Inspectie SZW rust, moeten de overtreders echter het voordeel van de twijfel krijgen volgens de Afdeling. De Inspectie SZW trok gelet op de bewijsrechtelijke aspecten toch aan het kortste eind.  

Uit de uitspraken zijn belangrijke lessen voor de praktijk te destilleren. Bedrijven doen er goed aan zich vooraf voor te bereiden op een mogelijk bezoek van de inspectie en de personen die werkzaam zijn op hun locatie goed in te lichten over do's en dont's. Bovendien blijkt dat het de moeite waard is om de (aanneem)overeenkomsten te laten checken om dit soort fikse bestuurlijke boetes te voorkomen.


[1] ABRvS 5 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1818 en ECLI:NL:RVS:2017:1819.